Financial Fitness Quiz

Met deze korte quiz test je snel je financiële fitness. Beheers je de concepten en weet je hoe het geld in een onderneming stroomt? Antwoorden op de gestelde vragen vind je op deze website, in het achtergrondmateriaal, en natuurlijk in de business games en simulaties van BMI!

Einde van de quiz!

Je hebt 0 van de 0 vragen goed beantwoord.

Dat ziet er niet best uit; je hebt veel vragen incorrect beantwoord. Vergroot je financiële fitness met BMI, en krijg meer inzicht in de cashflow binnen je bedrijf!

Je hebt veel fouten gemaakt... dat kan beter! Met de business games en simulaties van BMI kun je je kennis aanzienlijk vergroten!

Niet slecht; je hebt de meeste vragen goed beantwoord. Vul de gaten in je kennis op met de business games en simulaties van BMI!

Perfect! Je hebt alle vragen goed beantwoord. Wie weet doe je nog andere inzichten op met de business games en simulaties van BMI!

Bekijk hieronder jouw antwoorden. Het juiste antwoord staat steeds vet gedrukt.

Als een onderneming de winst wil vergroten dan moet...

  • A. de cashflow worden vergroot.
  • B. de omzet worden vergroot.
  • C. de kosten omlaag worden gebracht.
  • D. Zowel A als B is juist.
  • D. Zowel B als C is juist.

Welke van onderstaande uitspraken betreffende het kasstroomoverzicht is juist?

  • A. Het saldo van dit overzicht wordt winst (of verlies) genoemd.
  • B. Het draagt bij aan het inzicht in de financiering van de activiteiten van de onderneming in het boekjaar.
  • C. Afschrijvingen vormen onderdeel van de kasstroom uit investeringsactiviteiten.

Het afschrijven van bijvoorbeeld inventaris heeft tot doel:

  • A. Geld opzij te zetten voor vervanging.
  • B. De verkoopwaarde van de inventaris te bepalen.
  • C. De waardevermindering door slijtage zichtbaar te maken.

Als een onderneming kapitaal nodig heeft voor de aanschaf van een nieuw gebouw, zonder het geïnvesteerde eigen vermogen te vergroten, dan zal ze...

  • A. de omzet moeten vergroten.
  • B. de leencapaciteit moeten benutten.
  • C. meer schulden maken.
  • D. Zowel A als B is juist.
  • E. Zowel B als C is juist.

Een onderneming heeft een nettowinst van 10%. Op een bepaald moment besluit de onderneming een korting te verlenen van 5% omdat de verwachting is dat de afzet zal dalen. Het management gaat ervanuit dat hierdoor de afzet op peil zal blijven. In dat geval...

  • A. wordt het nettowinstpercentage 9,5%.
  • B. daalt de omzet met 5%.
  • C. daalt het nettowinstpercentage met 50%.
  • D. blijft het nettowinstpercentage gelijk.
  • E. Zowel B als C is juist.

Welke stelling is juist?
1. Doordat de financiële resultaten betrekking hebben op het verleden, kunnen deze niet gebruikt worden voor managementbeslissingen in de toekomst.
2. Het gebruik van finianciële resultaten is alleen weggelegd voor boekhouders.

  • A. Stelling 1 en 2 zijn beide juist.
  • B. Alleen stelling 1 is juist.
  • C. Alleen stelling 2 is juist.
  • D. Stelling 1 en 2 zijn beide onjuist.